Trefwoordenlijst

Anciënniteit= (Dienstjaren) ‘het aantal jaren dat de werknemer in dezelfde organisatie een bepaalde functie uitoefent.

Antecedenten = voorafgaand feit

Assessment = beoordeling van geschiktheid

Autonome motivatie = Bij deze soort motivatie hebben mensen het gevoel dat ze er zelf voor gekozen hebben om een bepaald gedrag te stellen. Autonome motivatie bestaat uit intrinsieke motivatie en geïnternaliseerde extrinsieke motivatie.

Babyboom = de geboortegolf die in veel West-Europese landen en de Verenigde Staten optrad vlak na de beëindiging van de Tweede Wereldoorlog.

Beleidsimplicatie = Beleid is het stellen van doelen, middelen en een tijdpad in onderlinge samenhang. Liefst zijn plaats en tijd omschreven. Onder beleid wordt dus verstaan het aangeven van de richting en de middelen waarmee men gestelde organisatiedoelen wil gaan realiseren binnen de gestelde periode. Implicatie duidt op verwarring, verwikkeling. Het is dus een verwarring van het beleid.

Biografische kenmerken= Zoals leeftijd, sekse, functiebeperking, etniciteit, dienstjaren en intelligentie vormen duidelijk zichtbare en meetbare verschillen tussen mensen.

Bridge employment / bridge job = Een tijdelijke vorm van werk dat typisch aangenomen wordt op het einde van een van een voltijds-carrière of tijdens een transitieperiode naar een ander werk.

Buy- beslissingen = Een koop/maakbeslissing (Engels: make or buy) is een bedrijfsbeslissing die de kosten en de voordelen van het zelf maken tegen het inkopen van een product of dienst afweegt

Co- creatie =Cocreatie is een vorm van samenwerking, waarbij alle deelnemers invloed hebben op het proces en het resultaat van dit proces, zoals een plan, advies of product.

Cognitie = de mentale activiteit en het proces van kennisverwerving door waarneming en het verwerken van de daarmee opgedane informatie door het denken.

Cohort = Een groep personen die gedurende een bepaalde periode, eenzelfde gebeurtenis meemaakt.

Covarianties = De covariantie is in de statistiek en kansrekening een parameter die bij twee toevalsvariabelen aangeeft in welke mate de beide toevalsvariabelen (lineair) met elkaar samenhangen. De covariantie geeft aan of, en indirect in welke mate, de waarden van de ene variabele toe- dan wel afnemen bij toenemende waarden van de andere.

Culturele intelligentie (CQ)=Het vermogen om efficiënt te werken met en tussen mensen van andere culturen.

Discriminatie= Betekent letterlijk “een verschil zien tussen dingen”.
Diversiteit in de diepte =Gaat over verschillen in waardes, persoonlijkheid en werkvoorkeuren.

Diversiteitsmanagement = bedrijfsbeleid dat gericht is op het optimaal gebruikmaken van diversiteit binnen een organisatie

Doeloriëntaties = Deze soort oriëntaties zijn gebaseerd op iemands impliciete theorie van intelligentie. Mensen die vaardigheden en intelligentie zien als kneedbaar en een leerbaar proces nemen vaak een leer oriëntatie aan.

Empirische evidentie = Empirische betekent “door ervaring iets aangeleerd hebben” en evidentie betekent grote duidelijkheid bezitten over iets/iemand”. Empirische evidentie is dus iets dat je door ervaring op te doen aangeleerd hebt waarvan je duidelijk weet wat het doel is van datgene dat je aangeleerd hebt.

Exogene variabelen = Van buiten afkomstige variabelen.

Extrinsieke motivatie = Bij extrinsieke motivatie is de bron van handelen gelegen in factoren die buiten de persoon liggen. Als een persoon extrinsiek gemotiveerd is, levert hij een prestatie op basis van een beloning die wordt voorgehouden of om een negatief effect te voorkomen als de prestatie niet wordt geleverd.

Faalratio’s= Dat gedeelte van de nieuwe producten die door een organisatie op de markt wordt gezet, die niet leiden tot de daarmee door de organisatie beoogde resultaten.

Femininiteit= Zowel mannen als vrouwen worden geacht bescheiden en teder te zijn en gericht op de kwaliteit van het bestaan.

Functiebeperkingen= Zijn lichamelijke, zintuigelijke of andere stoornissen di eet werken (of studeren) kunnen belemmeren.

Gepercipieerde maatregelen = Waargenomen maatregelen.

Hedonisme= Een samenleving waar men uitbundig, gelukkig en vrolijk gedrag zeer waardeert en waar men zichzelf toestaat om toe te geven aan impulsen.

Idiosyncratisch = met een eigen, afwijkend karakter

Individualisme Iedereen wordt geacht te zorgen voor zichzelf en voor zijn of haar naaste familie.

Innovatie= vernieuwing

Integrale benadering = Een gehele, volledige benadering.
Intellectuele vermogens= Zijn vermogens die nodig zijn om de verstandelijke activiteiten ut te voeren: denken, redeneren en problemen oplossen.

Intrinsieke motivatie = de motivatie die vanuit de persoon zelf komt. Als een persoon intrinsiek gemotiveerd is voert hij een handeling uit omdat hij het graag wil, niet omdat hij van buiten af wordt gemotiveerd dit te doen zoals bij extrinsieke motivatie.

LHBT/LGBT= LBHT is de term voor lesbische vrouwen, homoseksuele mannen, en biseksuele en transgenderpersonen. Dit is afgeleid van het Engelse LGBT (lesbian, gay, bi, transgender)
Longitudinaal onderzoek = Onderzoek waarbij men dezelfde proefpersonen in de loop van de tijd volgt en op vaste momenten onderzoekt, meestal verspreid over verscheidene jaren.

Machtsafstand=Beschrijft de mate waarin minder machtige leden van instituties of organisaties in een land verwachten en accepteren dat de macht ongelijk verdeeld is.

Managers= Leiders van het bedrijf.

Masculiniteit= Masculiniteit staat voor een samenleving waarin de sociale sekse-rollen duidelijk gescheiden zijn.
Mediatoren = een variabele die de relatie tussen twee andere variabelen verklaart. Een ander voorbeeld: Er is een verband tussen piekeren en buikpijn. Het verband ziet er als volgt uit: Piekeren > leidt tot fysiologische stressreacties. Fysiologische stressreacties vergroten de kans op buikpijn. De fysiologische stressreacties worden gezien als mediator: de verklarende variabele tussen piekeren en buikpijn.

Moderatoren = een variabele die de relatie tussen twee andere variabelen verandert. Indien het verband tussen twee variabelen X en Y wordt beïnvloed door de karakteristieken van een andere variabele Z, wordt deze laatste als moderator beschouwd.
Modererend effect = Een beperkt, gematigd of verzacht effect.
Ontgroening = het afnemen van het aandeel jongeren in de bevolking als gevolg van een afname van het geboortecijfer

Proactief = als je iets doet voordat iets gebeurt, bijvoorbeeld om het te voorkomen
Prosumers = De term 'prosumer' werd in het leven geroepen om de kruisbestuiving tussen consument en producent te beschrijven.

Proxy = Computerterm.

Supervisor = een leidinggevende die mensen begeleidt door middel van reflectie op hun werk

Transformationele leiders=Die hun leiderschapsstijl doelen en waarden van een hogere orde benadrukken.

Uitkomstmaten = Een geschikt meetinstrument voor een bepaalde soort variabelen. (vb. hoe meet je de mate van ziekte bij een persoon? Het gepaste instrument wordt een uitkomstmaat genoemd.)

Uitzendkracht = persoon die door een uitzendbureau bij een ander ter beschikking wordt gesteld om daar arbeid te verrichten

Vermogen = De huidige capaciteit van een individu om de verschillende taken die bij een functie horen uit te voeren. In het algemeen bestaan er 2 soorten vermogens, intellectuele en lichamelijke vermogens.

Verzuimen = Iets wat je hoort te doen, niet doen.
Winst = Wat een bedrijf er uit haalt.

Werk-thuisinterferentie = het op elkaar inwerken van “werk” en “thuis”, waarbij ze elkaar versterken of uitdoven

Zelfregulatie = het vermogen om goede keuzes te maken uit de eigen gedragsmogelijkheden en deze gedragingen zelf of samen met anderen te realiseren, evalueren en verbeteren